Advies 435: Motivering van enkelvoudig onderhandse gunning van organisatie van kermissen niet deugdelijk.

(9 februari 2018)
Publicatiedatum: 
woensdag, 2 mei 2018

Beklaagde heeft op 23 februari 2016 een overheidsopdracht voor diensten voor de begeleiding en ondersteuning van de organisatie van kermissen in 2016 enkelvoudig onderhands aan X gegund. Volgens klager gunt beklaagde sinds 40 jaar deze opdracht ten onrechte jaarlijks enkelvoudig onderhands aan X.

De Commissie stelt voorop dat zij beoordeelt of aanbestedende diensten handelen overeenkomstig de bepalingen van de Aw 2012. De argumenten van klager ontleend aan het bestuursrecht blijven derhalve buiten beschouwing omdat de Commissie niet bevoegd is daarover te oordelen.

Omdat uit de reactie op de klacht kan worden afgeleid dat beklaagde ook in 2018 de opdracht enkelvoudig onderhands zal gunnen aan X, zal de Commissie die opdrachtverlening beoordelen naar de ten tijde van die opdrachtverlening geldende Aw 2012, zijnde de versie van na 1 juli 2016. De Commissie constateert dat deze overheidsopdracht ‘specifieke diensten’ betreft in de zin van artikel 2.6a Aw 2012 en Bijlage XIV van Richtlijn 2014/24/EU.

Indien klager meent dat de drempelwaarde van € 750.000 wordt overschreden, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. Volgens beklaagde is de waarde gemiddeld € 12.850 per jaar en over vier jaar ongeveer € 51.400. Daarmee is niet gebleken dat de drempelwaarde van € 750.000 wordt overschreden. De Commissie neemt voorshands aan dat deel 2 van de Aanbestedingswet 2012 niet op deze opdracht van toepassing is.

Beklaagde diende ten tijde van de gunning van de opdracht aan X voor 2018 de bepalingen van afdeling 1.2.2 en deel 2 van de Aanbestedingswet 2012 weliswaar niet in acht te nemen, maar wel het bepaalde in art. 1.4, lid 1, onder a en b, jo. art. 1.4, lid 3, Aw. Deze bepalingen houden allereerst in dat beklaagde de keuze voor de enkelvoudig onderhandse gunning en de keuze van de gunning van de opdracht aan X, op basis van objectieve criteria dient te bepalen. In de tweede plaats houden deze bepalingen in dat beklaagde die keuze op verzoek van klager dient te motiveren (Advies 27, overweging 6.5, Advies 319, overweging 5.3.13 en Advies 419, overweging 6.2.7).

Beklaagde heeft zich via haar inkoopbeleid verbonden aan inachtneming van de Gids Proportionaliteit. Zij heeft daarin immers vermeld dat zij met inachtneming van de Gids Proportionaliteit bij de in haar beleid vermelde drempelbedragen een bepaalde procedure zal hanteren. Voor opdrachten voor leveringen en diensten tussen € 35.000 en € 200.000 heeft zij aangegeven dat dit de meervoudig onderhandse procedure is.

De argumenten van beklaagde ter motivering van de keuze voor de enkelvoudig onderhandse gunning komen erop neer dat zij vindt dat de huidige wijze van organiseren en gunnen van opdrachten zorgvuldig verloopt, dat het onzorgvuldig zou zijn jegens X om na 40 jaar de opdrachtverlening te beëindigen, dat er tijd nodig is voor advisering over de optimale procedure voor de kermis en het vastleggen van de voorwaarden en condities in een bestek zodat geborgd wordt dat de kermis goed verloopt zonder dat openbare orde en veiligheid in gevaar komen, waarbij beklaagde aantekent dat de afwijking van het inkoopbeleid, gemeten over vier jaar, slechts marginaal is. Beklaagde erkent dat zij haar argumenten eerder aan klager kenbaar had moeten maken.

Beklaagde beschrijft in feite slechts dat zij de jarenlange relatie met X niet zo maar wenst af te breken, dat zij tijd nodig heeft om van koers te veranderen en dat de keuze van de aanbestedingsprocedure van meer afhankelijk is dan alleen de geraamde waarde.

Hoewel de Commissie er begrip voor heeft dat beklaagde het lastig vindt om na zo lange tijd haar keuze voor de procedure en voor de toe te laten ondernemer(s) te herzien, moet zij vaststellen dat geen van de argumenten van beklaagde kan worden beschouwd als een objectief criterium in de zin van Voorschrift 3.4 A van de Gids Proportionaliteit voor het stelselmatig enkelvoudig onderhands gunnen van de opdrachten aan X.

Alles afwegende is de Commissie van oordeel dat beklaagde handelt in strijd met haar verplichtingen op grond van artikel 1.4 lid 1 onder a en b en lid 3 Aw 2012 en dat de motivering van beklaagde, die zij eerst kenbaar heeft gemaakt in reactie op de klacht van klager bij de Commissie, haar beslissing om de opdracht voor de organisatie van de kermis in 2018 enkelvoudig aan X te gunnen niet kan dragen.

De klacht wordt derhalve gegrond verklaard.