Advies 438: Bovengrens voor kostprijs niet disproportioneel. Geen gelijk speelveld door achterhouden van informatie.

(17 november 2017)
Publicatiedatum: 
dinsdag, 20 februari 2018

Europese openbare procedure voor diensten voor het verzorgen van diverse vormen van vervoer in de betreffende regio, waaronder WMO-vervoer (sociaal vervoer en dagbestedingsvervoer), leerlingenvervoer en vervoer van jeugdigen in het kader van de Jeugdwet. De opdracht is verdeeld over drie percelen waarbij een inschrijver op maximaal twee van de drie percelen mag inschrijven. De klacht bestaat uit twee onderdelen:

1. Beklaagden handelen in strijd met het proportionaliteitsbeginsel doordat de bovengrens voor de kostprijs per declarabele reizigerkilometer voor incidentele ritten niet realistisch is.
2. Beklaagden handelen in strijd met de beginselen van gelijke behandeling en transparantie door geen level playing field te waarborgen door verouderde vervoersgegevens te verstrekken.

De Commissie stelt vast dat partijen het er over eens zijn dat de opbrengst voor de opdrachtnemer minimaal € 32 per uur moet zijn. Volgens beklaagden kan deze minimumopbrengst met de in de aanbestedingsstukken bepaalde bovengrens worden gehaald. Beklaagden hebben in dat kader aangegeven dat een combinatiegraad van 1,3 tot 1,5 mogelijk is, terwijl klager in haar berekeningen lijkt uit te gaan van een combinatiegraad van 1,0. In haar klacht bij de Commissie herhaalt klager haar berekeningen uit de klacht bij het klachtenmeldpunt zonder in te gaan op de kanttekeningen die beklaagden en het klachtenmeldpunt bij haar berekeningen hebben geplaatst. In het licht van die kanttekeningen had het op de weg van klager gelegen haar stellingen nader te onderbouwen. Zo maakt klager niet duidelijk van welke com-binatiegraad zij bij haar berekeningen is uitgegaan en of zij de door beklaagde gehanteerde combinatiegraad van 1,3 of 1,5 reëel acht. In dat licht heeft klager haar klacht onvoldoende onderbouwd. Het eerste klachtonderdeel wordt derhalve ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van vragen van potentiële inschrijvers hebben beklaagden in eerste instantie geantwoord geen aanvullende informatie te willen of kunnen verstrekken. Vervolgens hebben beklaagden alsnog ritdata bij de huidige vervoerders, waaronder klager, opgevraagd en op 13 oktober 2017 aanvullende informatie aan de potentiële inschrijvers verstrekt. Klager voert aan dat beklaagden andere ritdata aan de potentiële inschrijvers hebben bekendgemaakt dan klager bij beklaagden had aangeleverd. Het zouden verouderde gegevens betreffen. In het kader van de klacht bij het klachtenmeldpunt heeft beklaagde aangevoerd dat data continu veranderen en dat de gegevens afkomstig zijn van het moment van publicatie van de aanbesteding. Beklaagden hebben erkend dat er nadien (‘wellicht’) wijzigingen hebben plaatsgevonden doordat er een tussenliggende zomervakantie is geweest.

Naar het oordeel van de Commissie is een aanbestedende dienst niet gehouden om gedurende een aanbestedingsprocedure steeds geactualiseerde informatie aan de potentiële inschrijvers te verstrekken, indien dat niet noodzakelijk is voor het kunnen doen van een inschrijving. In het onderhavige geval hebben beklaagden naar aanleiding van vragen van potentiële inschrijvers extra informatie bij de huidige vervoerders, waaronder klager, opgevraagd. Vervolgens hebben beklaagden extra informatie aan de potentiële inschrijvers verstrekt, maar niet de meest recente ritdata van het leerlingenvervoer uit het nieuwe schooljaar die zij van klager hebben ontvangen. Naar het oordeel van de Commissie zijn de ritdata van klager van het leerlingen-vervoer van het nieuwe schooljaar relevant voor het doen van een inschrijving.

De Commissie onderkent dat een kennisvoorsprong in de regel inherent is aan de aanbesteding van een opdracht die de voortzetting is van een lopende opdracht. De Commissie is echter van oordeel dat het problematisch is dat klager, die deel uitmaakt van de huidige vervoerders, over meer informatie beschikte dan de andere potentiële inschrijvers en deze informatie in het bezit van beklaagden was.

Het tweede klachtonderdeel wordt derhalve gegrond verklaard.