Advies 440: Business case deelfietsenplan moet ook rekening houden met optiejaar - financieel bedrijfsplan van klager terecht als slecht beoordeeld.

(27 februari 2018)
Publicatiedatum: 
maandag, 7 mei 2018

Meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure voor een (concessie)opdracht voor diensten voor het beschikbaar stellen, plaatsen, beheren en onderhouden van een (e-)fietsendeelsysteem met een looptijd van 37 +12 = 49 maanden. Klager heeft bij haar ingediende business case een onderbouwing van de vaste looptijd van 37 maanden gegeven, maar niet voor het laatste optiejaar. Om die reden scoort klager zeer laag op een aantal gunningscriteria. De klacht bestaat uit twee onderdelen:

1- Vraag 1.4.1.a is onvoldoende transparant en beklaagde heeft de vragen 1b, 1c en 1d ten onrechte met 0 punten beoordeeld;
2- De argumentatie van beklaagde dat zij financieel risico loopt in jaar 4 is ongegrond.

Omdat de opdrachtnemer na de pilotperiode wordt geacht een rendabele en concurrerende bedrijsvoering op te zetten zonder verdere financiële steun van beklaagde of de gemeente A gaat de Commissie ervan uit dat het operationele risico na de (betaalde) pilotperiode bij de opdrachtnemer komt te liggen, zodat sprake is van een concessieopdracht voor diensten. De Commissie gaat er overigens vanuit dat deel 2a Aw 2012 op deze concessieopdracht niet van toepassing is omdat gesteld noch gebleken is dat de waarde van de opdracht de in 2017 geldende drempelwaarde van € 5.225.000 excl. BTW overschrijdt.

Voor de beoordeling van de inschrijvingen geldt op basis van paragraaf 1.2 van het Aanbestedingsdocument dat beklaagde met één ondernemer een overeenkomst wil aangaan voor de looptijd van 37 maanden. Daarnaast is in dezelfde paragraaf opgenomen dat beklaagde zich de mogelijkheid voorbehoudt om na een positieve evaluatie de overeenkomst te verlengen met maximaal één jaar zodat de maximale looptijd van de overeenkomst 49 maanden bedraagt.

In onderdeel 1.4.1.a van subgunningscriterium 1.4.1 ('Financieel bedrijfsplan') van het Beschrijvend Document wordt aan inschrijvers gevraagd om een beschrijving te leveren van (minimaal): 'a. Een sluitende begroting (baten/lasten overzicht) waaruit blijkt dat de organisatie/activiteiten rendabel zijn op basis van de volledige looptijd van de overeenkomst (maximaal 49 maanden).'

De Commissie is van oordeel dat alle redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijvers onderdeel 1.4.1.a, in samenhang gelezen met de verlengingsmogelijkheid voor beklaagde, zo zullen uitleggen dat inschrijvers bij hun inschrijving een financieel plan moesten overleggen dat uitgaaat van de volledige looptijd van de overeenkomst van maximaal 49 maanden. Van strijd met het transparantiebeginsel is naar het oordeel van de Commissie geen sprake.

De Commissie is voorts van oordeel dat, nu bij het opstellen van het bedrijfsplan moest worden uitgegaan van de maximale duur van de overeenkomst van 49 maanden, dit uitgangspunt gevolgen heeft voor de beoordeling van de onderdelen 1b tot en met 1d van subgunningscriterium 1.4.1 (Financieel bedrijfsplan). Voor elk onderdeel geldt namelijk dat dit betrekking moet hebben op een financieel plan voor 49 maanden: dat houdt in dat de continuïteit gewaarborgd moet zijn voor die periode en dat bij de beschrijving van tarieven en abonnementen ook rekening moet worden gehouden met die termijn. Met beklaagde is de Commissie van oordeel dat voor de onderdelen 1.4.1.b tot en met 1.4.1.d geen afzonderlijke, van de beoordeling van het financieel bedrijfsplan afwijkende, score mogelijk is als het financieel bedrijfsplan zelf geen betrekking heeft op de maximale looptijd van 49 maanden.

Omdat het financieel plan van klager geen betrekking heeft op een periode van 49 maanden, heeft beklaagde naar het oordeel van de Commissie terecht niet kunnen beoordelen of er in het vierde jaar sprake zal zijn van financiële risico's. Ook klachtonderdeel 2 is daarmee ongegrond.