Advies 460: Ten onrechte geen gelegenheid tot herstel geboden bij kennelijke fout in totaalbedrag van de inschrijfstaat.

(10 april 2018)
Publicatiedatum: 
vrijdag, 6 juli 2018

Meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure voor overheidsopdracht voor diensten voor ecologisch vooronderzoek voor een aantal locaties van beklaagde. De opdracht is verdeeld in drie percelen. Beklaagde heeft hoofdstuk 7 van het ARW 2016 op deze aanbesteding van toepassing verklaard. De klacht houdt in dat de inschrijving van klager ten onrechte als ongeldig terzijde gelegd is en aan klager ten onrechte geen mogelijkheid tot herstel is geboden.

De Commissie overweegt dat tussen partijen niet ter discussie staat dat klager bij het invullen van het inschrijvingsbiljet en de inschrijvingsbegroting twee verschillende totaalbedragen heeft ingevuld. Daarmee is de inschrijving van klager in beginsel ongeldig.

Vervolgens is het de vraag of sprake is van een gebrek in de inschrijving dat zich leent voor herstel. De Commissie is van oordeel dat het hier gaat om een kennelijke materiële fout. Ondanks de vermelding van twee verschillende bedragen in het inschrijvingsbiljet en de inschrijvingsbegroting kan naar het oordeel van de Commissie uit de inschrijving van klager objectief worden afgeleid dat zij beoogde in te schrijven met een bedrag van € 59.500. Dit is immers af te leiden uit het door klager vermelde BTW-bedrag van € 12.495 dat in het inschrijvingsbiljet en de inschrijvingsbegroting gelijk is. Dit BTW-bedrag is berekend over € 59.500, welk bedrag ook in de inschrijvingsbegroting is vermeld. Een eventuele aanpassing van het bedrag op het inschrijvingsbiljet van € 59.000 naar € 59.500 zou er dan ook neit toe leiden dat er in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt gedaan ten opzichte van de oorspronkelijke inschrijving van klager.

Dat in paragraaf 5.4 van de Aanbestedingsleidraad is bepaald dat de inschrijvingsbegroting geen deel zal uitmaken van de overeenkomst en dat eventuele afwijkende bedragen en fouten in de inschrijvingsbegroting geen grond vormen voor aanpassing van de werkzaamheden of de opdrachtsom, doet hier niet aan af. Met deze bepaling beoogt beklaagde problemen bij de uitvoering van de overeenkomst te voorkomen. De beschreven situatie doet zich echter niet voor. Er is immers geen sprake van een fout in de inschrijvingsbegroting, maar van een kennelijke fout in het inschrijvingsbiljet.

Nu vaststaat dat het gaat om een kennelijke materiële fouten dat beklaagde klager alsnog in de gelegenheid kan stellen om te bevestigen dat zij heeft beoogd met een totaalbedrag (exclusief BTW) van € 59.500 in te schrijven, acht de Commissie het disproportioneel als beklaagde klager deze mogelijkheid niet biedt (vgl. Rb. Rotterdam 15 februari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:1201, JAAN 2016/88 m.nt. J. Haest, r.o. 4.9; Rb. Gelderland 18 april 2016, ECLI:NL::RBGEL:2016:3280, r.o. 4.13; Rb. Overijssel 12 december 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:4962, zie ook eerdere adviezen van de Commissie waarin de Commissie op andere gronden tot dat oordeel kwam: Advies 67, overwegingen 6.1.7-6.18, Avies 184, overwegingen 5.5-5.5.4 en Advies 410, overweging 5.3.13).

Daarmee acht de Commissie de klacht gegrond.