Advies 499: Te lage bovengrens voor de prijs?

(22 februari 2019)
Publicatiedatum: 
vrijdag, 28 juni 2019

Advies 499| Samenvatting

De klacht ziet op een Europese openbare aanbestedingsprocedure voor een overheidsopdracht voor diensten voor terbeschikkingstelling van uitzendkrachten. De ondernemer stelt dat de aanbesteder in strijd heeft gehandeld met het proportionaliteitsbeginsel zoals opgenomen in artikel 1.10 Aw 2012 door een niet realistische bovengrens voor een bepaalde omrekenfactor te stellen.

Naar het oordeel van de Commissie heeft de ondernemer de stelling dat met de gemaximeerde omrekenfactor niet kostendekkend kan worden ingeschreven op de onderhavige aanbestedingsprocedure, onvoldoende onderbouwd. De ondernemer stelt immers dat niet kostendekkend kan worden ingeschreven, maar neemt daarbij tot uitgangspunt dat maximaal wordt gescoord op het kwalitatieve gunningscriterium social return. Daarmee valt niet uit te sluiten dat wél kostendekkend kan worden ingeschreven indien geen extra inspanningen worden geleverd op het gebied van social return. Daarmee is er onvoldoende grond om te oordelen dat de bovengrens voor de omrekenfactor in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel van artikel 1.10 Aw 2012. De Commissie acht de klacht dan ook ongegrond.

Ten overvloede plaatst de Commissie enkele kanttekeningen bij de argumenten die de aanbesteder aanvoert om de hoogte van de bovengrens voor de omrekenfactor te rechtvaardigen.

Ook vraagt de Commissie zich af of de aanbesteder de gunningsmethodiek voldoende transparant over het voetlicht heeft gebracht. Hoewel de prijs voor 50 punten en de kwaliteit voor 125 punten meeweegt, lijkt de prijs namelijk nauwelijks een rol te spelen. De Commissie beveelt aanbestedende diensten aan om transparant te zijn over de weging van de kwalitatieve gunningscriteria en het prijscriterium ten opzichte van elkaar.

Indien een aanbestedende dienst een bovengrens voor de prijs bepaalt, beveelt de Commissie aan om deze in ieder geval niet te laag vast te stellen. Anders bestaat het risico dat de inschrijvers noch op prijs, noch op kwaliteit kunnen concurreren. Het is de vraag of dan nog wel wordt gegund op basis van het gunningscriterium economisch meest voordelige inschrijving in de zin van artikel 2.114 Aw 2012 en of de aanbestedende dienst zoveel mogelijk maatschappelijke waarde voor de publieke middelen realiseert (artikel 1.4, lid 2, Aw 2012).

Dat zonder bovengrens voor de omrekenfactoren strategisch zou kunnen worden ingeschreven, wordt overigens ook veroorzaakt door het feit dat in de onderhavige gunningsmethodiek voor elke prijscomponent een aparte score wordt bepaald en de scores bovendien worden berekend met een relatieve formule.