Advies 571: Aanbesteder weet beslissing om opdrachten samen te voegen voldoende te motiveren

(2 juni 2020)
Publicatiedatum: 
woensdag, 22 juli 2020

De klacht ziet op een Europese niet-openbare aanbestedingsprocedure voor een overheidsopdracht voor sociale en andere specifieke diensten, zijnde postdiensten. De aanbesteding wordt uitgevoerd ten behoeve van een groot aantal deelnemende organisaties. De ondernemer klaagt over de schending van het verbod van artikel 1.5, lid 1, Aw 2012 om opdrachten onnodig samen te voegen, schending van de motiveringsplicht van artikel 1.5, lid 2, Aw 2012 en schending van het splitsingsgebod van artikel 1.5, lid 3, Aw 2012.

 

Naar het oordeel van de Commissie heeft de ondernemer voldoende proactief gehandeld door – weliswaar na de uiterste termijn voor het stellen van vragen – ruim vóór de uiterste datum voor indiening van de verzoeken tot deelneming zijn bezwaren bij de aanbesteder kenbaar te maken.

 

Aangezien de klacht naar het oordeel van de Commissie inhoudelijk ongegrond is, laat de Commissie in het midden of ondernemer, die mogelijk geen geregistreerd postbedrijf is, voor gunning in aanmerking komt. Veronderstellenderwijs gaat de Commissie ervan uit dat de ondernemer voldoende belang heeft bij zijn klacht.

 

Inhoudelijk staat tussen partijen  niet ter discussie dat in het onderhavige geval sprake is van samenvoeging van gelijksoortige opdrachten. De te beantwoorden vraag is of deze samenvoeging “onnodig” is in de zin van artikel 1.5, lid 1, Aw 2012 en of het opdelen in percelen van de aldus samengevoegde opdracht “niet passend” is in de zin van lid 3 van dit artikel. Evenmin staat ter discussie dat de aanbesteder zijn beslissing om de gelijksoortige opdrachten samen te voegen heeft gemotiveerd. Wat tussen partijen ter discussie staat, is of die motivering voldoende is.

 

De Commissie is, alles afwegende, van oordeel dat de  aanbesteder  zijn beslissing om de opdrachten samen te voegen voldoende heeft gemotiveerd. In dat kader weegt voor de Commissie zwaar dat de samenvoeging van de gelijksoortige opdrachten van de deelnemende organisaties in dit concrete geval geen invloed heeft op de toegang tot de opdracht door MKB-bedrijven. MKB-bedrijven zouden immers ook geen toegang hebben tot de afzonderlijke opdrachten van de deelnemende organisaties. Dat betekent dat er naar het oordeel van de Commissie geen sprake is van “onnodige samenvoeging” van opdrachten in de zin van artikel 1.5, lid 1, Aw 2012.

 

Vervolgens is het de vraag of de samengevoegde opdracht in strijd met artikel 1.5, lid 3, Aw 2012 ten onrechte niet in percelen is verdeeld. Zoals de Commissie reeds eerder heeft geoordeeld, kan een aanbestedende dienst aan zijn in artikel 1.5, lid 3, Aw 2012 genoemde motiveringsplicht voldoen door bij zijn beslissing om een opdracht niet in percelen op te delen – vanwege de “niet passendheid” daarvan – acht te slaan op de in artikel 1.5, lid 1, Aw 2012 genoemde aspecten. Nu de Commissie heeft geoordeeld dat de aanbesteder de samenvoeging van de opdrachten voldoende heeft gemotiveerd in de zin van artikel 1.5, lid 1, Aw 2012, heeft de aanbesteder daarmee eveneens aan zijn motiveringsplicht van artikel 1.5, lid 3, Aw 2012 voldaan. Dit geldt naar het oordeel van de Commissie ook voor een geval als het onderhavige waarbij gelijksoortige opdrachten van verschillende aanbestedende diensten worden samengevoegd. Daarmee is de klacht naar het oordeel van de Commissie ongegrond.