De klacht betreft een Europese openbare aanbesteding voor maaionderhoud van bermen en watergangen die is opgedeeld uit 10 geografische percelen. Ondernemer schrijft in op perceel 10. Aanbesteder besluit niet aan ondernemer te gunnen en de aanbesteding in te trekken, omdat de inschrijfprijzen van ondernemer de raming voor perceel 10 met bijna 100% zouden hebben overschreden.
Ondernemer klaagt in het eerste klachtonderdeel dat aanbesteder hem de besteksraming voor perceel 10 moet verstrekken, opdat hij de zorgvuldigheid daarvan kan controleren. De Commissie acht deze klacht ongegrond. Zij is van oordeel dat, wanneer een aanbesteder besluit een aanbesteding in te trekken, deze weliswaar verplicht is de redenen voor het besluit tot intrekking aan inschrijvers mee te delen, maar dat niet van hem kan worden verlangd zijn besteksraming aan inschrijvers te overhandigen.
Klachtonderdelen 2 en 3 hebben betrekking op de heraanbesteding van de opdracht. De klacht van ondernemer dat aanbesteder de nieuwe opdracht niet wezenlijk zou hebben gewijzigd acht de Commissie gegrond. Aanbesteder stelt (1) dat hij de opdracht niet wezenlijk hoefde te wijzigen en (2) dat hij de tweede opdracht wel wezenlijk heeft gewijzigd. De Commissie gaat in op de vraag wanneer een heraanbesteding wezenlijk gewijzigd moet worden en is in deze zaak is van oordeel dat aanbesteder onvoldoende concreet heeft onderbouwd waarom de door hem aangebrachte wijzigingen in de nieuwe opdracht kwalificeren als een wezenlijke wijziging. De klacht dat de plafondprijzen in de nieuwe opdracht disproportioneel laag zouden zijn acht de Commissie ongegrond, omdat ondernemer zijn klacht onvoldoende heeft onderbouwd.